Op Sicilië heb je de maffia, in Napels de Camorra en in Calabrië de Ndrangeta. Il imbottido, de capo, zit op zijn vaste plek aan het Piazza Centrale, ergens in Calabrie. De inwoners van het kleine stadje noemen hem zo vanwege zijn dure Armani jas. Deze gewatteerde ( imbottido) jas is opzichtig en beschermt tegen de felle wind uit de bergen. Tussen vijf uur ’s middags en negen uur ’s avonds ontvangt hij daar zijn clientèle en medewerkers. De mannen uit het dorp schudden hem de hand, buigen licht voorover of komen een paar minuten bij hem aan tafel. De talloze espresso’s, die meteen worden gebracht als er iemand bij hem aan tafel schuift, zijn voor rekening van het café. Het Piazza staat doorgaans vol met werkloze mannen. Il tasso di disoccupazione ligt boven de dertig procent. Het dorp telt twee carabinieri met prachtige uniformen en een oude Alfa. Ze laten zich niet zien op het plein. De gewatteerde heeft drie zeer betrouwbare en heel diverse medewerkers in dienst, die elkaar perfect aanvullen.
De netwerker, il cercocontatti ( de contactzoeker), is de belangrijkste. Hij doet gedurende zijn dienst niets anders dan contacten leggen. Heen en weer snellen over het plein, mensen aanspreken, korte kletspraatjes houden, arm op de schouder leggen, lachen, en zo nodig doorsturen naar de capo (baas). Per avond legt hij over het plein zeker vijftien kilometer af. Il tenore is de man van de bedrijfscultuur. Een korte dikke man die mooi kan zingen. Zelf onthield ik hem als Willy Alberti, ook een dikke korte man die mooi kon zingen. Il tenore had altijd een groepje mensen om zich heen, mannen en vrouwen. Net alsof hij altijd middenin een koor stond. Willy had altijd “medicijnen” op zak. Hij onderhield nauwe contacten met de farmacia, gelegen aan het piazza en ging daar frequent, met of zonder bagage naar binnen. De laatste medewerker, il meccanico, onderhield het wagenpark van de chef. Bovendien reed hij hem van en naar het plein en lette de rest van de avond op of niemand de bolide beschadigde. Om het kwartier kwam hij tevoorschijn, keek naar de chef, stak zijn duim op en riep: “tutti a posto”. Wat zoiets als alles in orde betekent.
Een paar keer per avond bleef er een man of vrouw plakken: een kwartier, af en toe nog langer. Mijn nieuwsgierigheid dreef me dichter naar de tafel van de imbottido. Mijn dekmantel is die van een toerist, die graag een paar grappa’s te veel drinkt en brochures doorneemt. Later ga ik naar mijn hotelkamer en schrijf op wat ik gehoord had. Eerst kon ik mijn oren niet geloven, maar na een paar gesprekken met dezelfde lading kon ik er niet onderuit. Ik zal u zelf laten oordelen en de eerste drie gesprekken, kennelijk onderdeel van de ideologie van de capo, beknopt weergeven. In totaal volgde ik twintig gesprekken.
Gesprek 1: Filomena, vrouw midden dertig.
“Als ze je verbaal aanvallen moet je stevig op je voeten blijven staan. Blijf rechtop staan, hou oogcontact. Praat met een niet al te harde, maar ook niet al te zachte stem. Zeg dingen als: hiermee ben ik het niet eens, wacht even dit moet ik rechtzetten. Voel je poten op de grond.”
Gesprek 2: Mijnheer Marini, vijftiger.
“Laat je niet tegenhouden door jouw angst om belachelijk gevonden te worden. Zeg wat je wilt en praat duidelijk. Ban de negatieve gedachten uit je hoofd. Ga niet zitten afwachten tot het juiste moment komt, maar praat, antwoordt en vraag zonder angst (paura)
Gesprek 3: Franca, begin twintig.
“Dat komt alleen doordat er teveel druk op rust. Het is niet erg. Hoe minder het je bezig houdt hoe eerder het stopt. Neem een moment rust, droog je tranen en adem diep in. Daarna vertel je jouw standpunt en kan je eventueel aangeven waarom je moest huilen.”
Let wel, deze wollige taal werd geuit door een gangstertype van begin veertig, kortgeschoren, dure bolides, behangen met goud, tatoeages. Toch een psycholoog?