Je maakt wat mee buiten. De gekste dingen. Vaak zwaar afzien; een hond vol vlooien bij je onder de dekens of ze jatten je shag weg. Staan ze over je heen te pissen. Vorige week nog, dinsdag of woensdag. In elk geval doordeweeks. Durk ligt op de trappen bij de BAVO, net een beetje weg te dommelen. Het zal een uur of twee ’s nachts geweest zijn.
Het volgende vertelde hij later tegen een veldwerker van de GGD:
“Het was kurkdroog, toen ik wakker werd van het gekletter. Niet zo’n klein beetje ook. Ik draai me op mijn rug en kijk schuin omhoog. Ik geloof mijn ogen niet: kijk zo tegen een blote vrouwenkont aan. Een lekkere ook nog. Die billen zijn van een meid die een tree hoger staat. Wijdbeens spuit er een grote straal, een sproeier als een douchekop, over mijn beste deken. Ik weet, die lucht krijg je er niet meer uit. Pis blijft pis. Het gaat stinken ook van een jonge meid”.
Het volgende vertelde Durk niet. Hij had geen zin meer om te praten, maar zo ging het verder:
Keurige knulletjes
Om haar heen staan een stuk of drie van die keurige knulletjes van net twintig. Ze droegen billentikkers. Aankomende advocaten, kamerleden of burgemeesters misschien wel.“Vuile proleten, laffe honden, opgesodemieterd; Durven jullie wel”?
“Oude viespeuk, kan jij dat niet waarderen, zo’n prachtkont zal jij niet vaak zien”?
“Pas maar op dat we niet met zijn allen op je gaan zitten schijten”!
Ze was uitgepist. Ik wilde opstaan, me als een man laten gelden, maar voelde mijn zere kapotte voeten Ik draaide me om, dat leek me beter. Zelfrespect is het eerste dat je verliest op straat. Een paar uur later, het was nog donker, stond ik op. Een paar warme pillen brood halen bij ome Daan, de enige echte. Hij zou wel klaar zijn met bakken. De deken was nat, toen ik hem op wilde rollen. Ik zag die blote billen weer voor me. Vlak boven me, een lekker gezicht.
Had ik het gedroomd? Ik rook aan de natte plekken. Het rook naar bier. Ze was vast dronken geweest, een bierplas. Ik besloot de dekens op de trap uit te spreiden, dan konden ze nog wat drogen. De onderste nam ik mee en sloeg hem om me heen.
Nare rotvrijheid
Je maakte wat mee langs de straat, alleen wist je lang niet altijd of het echt was Het kon maar zo, dat je had zitten dagdromen. In de uren na je eerste koffie zag je soms van alles. Machtig mooie dingen, kleuren, levende gedachtes, verschijningen, wezens van Sirius. Soms voelde je ondanks dat je niks had je een beetje God, zo mooi, zo sterk. Alles was licht, terwijl je gewoon op een stoel zat en keek. Buiten op straat leerde je kijken. Het was een keihard bestaan, ze pisten op je, maar je zag alles. Ook van alles dat er niet was. Vrijheid leerde je kijken. Die harde, nare rot vrijheid gaf je ogen die alles zagen. Lang naar iets kunnen kijken, staren. Terwijl Durk keek voelde hij zichzelf wegglijden; met open ogen.
Hoe lang lag hij hier al. Aan de rand van iets enorms. Was het waar dat hij hier lag? Lag hij alleen? Hij voelde zijn dekens, die waren van hem. Hij rook er eens aan, ja duidelijk, van hem. Maar waar lag hij?
Wat had hij gedaan? Waarom hier?
Durk spande zich in om de dag voor zijn geest te halen. Veel koffie, een half wit, paar halve litertjes, een bord vuiligheid bij Wim. Pijn in zijn voeten, lopen heel veel lopen, zere voeten. Wat zou dat fijn zijn: geen pijn meer in je poten. Later ging het niet meer. Vallen en weer omhoog, daarna kruipen, niet lang maar wel een hele poos. Gewoon kruipen over de stenen.
Een film?
Tot hij hier belandde. Aan de rand. Welke rand?
Voor zich uit strekte zich alleen maar blauw uit. Aan de ene kant dan, the blue ocean. Leek wel een film. Was hij soms figurant geworden in een amateurfilm. Paar knaken verdienen, kon toch. Zijn handen raakten de aarde aan, het stof. Hij likte zijn vingers. Zandkorrels, Haarlemse zandkorrels en keitjes. Dit was echt, hij lag hier. Alleen?
Verrek, het was ook nog donker, dat viel hem nu pas op. De blauwe oceaan lichtte op. Hij kon er niet bijkomen, dat was duidelijk. Roerloos ligt Durk op zijn rug. Doodmoe. Het ademt hier. Hij weet zeker dat hij hoort ademen. Houdt zijn hand voor zijn mond en zijn adem in. Nee, het moet een ander zijn, hij blijft het horen.
“Wie ben jij”? Fluistert Durk.
Bang dat hij in de hel beland is en de vent met de bokkenpoten naast hem ligt.
“Je kent me wel gekkerd”, antwoordt een vrouwenstem. En ze gaat verder:
“Zal ik je voeten verzorgen? Ik heb lekkere zalf voor je”.
Gedachten flitsen door hem heen, maar het gevoel is goed. Durk begrijpt er geen lor van, maar het voelt goed. Het schemert, de grote blauwe oceaan geeft een helder schijnsel af, Ina, zo heet ze, kneed en streelt zijn voeten.
“Wat een smerige poten, heb je toch kerel. Je moet wel verrekte veel van iemand houden om daar met je blote handen aan te zitten. Hoor je dat zwerver”?
“Wat is al dat water?”vraagt hij, en hij gaat verder:
“Het lijkt wel de wereldzee, zo mooi blauw, het doet me denken aan mijn mooie blauwe pak van vroeger. Als ik dat nog had was ik met je getrouwd Ien”.
“Dat is de zee van kansen die wij nog hebben, jij en ik Durk. Als we in elkaar geloven”.
Durk weet dat het zo is. Een blauwe oceaan die de ene kant met de andere verbindt. Een zee van kansen. Zijn voeten worden warm. Dat is de basis, een vrouw, warme voeten. Iemand die je voeten masseert al zijn ze vuil. Een zee van liefde.
“De blauwe oceaan vol liefde. Voor ons, ook voor ons”! Schreeuwt hij uit.
Ze steekt haar hand uit. Hij pakt hem vast. Kijkt nog een keer om naar de blauwe oceaan. Hij lag aan de rand, maar nu voelt hij een warme hand. Die hem voorzichtig meetroont.
“Deze keer ga ik mijn kans pakken”, fluistert hij.
“Zeker weten”, zegt de vrouw, en wat zachter:
“Liefde overwint alles”.